In ambitie kan je niet wonen!

wonen in een thermosfles(door Atto Harsta voor bouwkennisblog) De woonrelatie- therapie als oplossing voor energieneutraal leven. Een duurzaamheidsambitie voor een nieuw gebouw is een mooi begin. Uiteindelijk telt echter alleen het resultaat. Dat is niet het bouwwerk zelf, maar de interactie tussen gebruiker en gebouw. Als ze elkaar ‘natuurlijk’ aanvoelen is de kans op een mooie en lange (woon)relatie het grootst. Dat is echt duurzaam, heel anders dan de huidige focus op alleen het (gebouwgebonden)energieverbruik.

In ruim 70% van de gerealiseerde energiezuinige projecten is er veel ontevredenheid over het woongenot. Opvallend genoeg worden ook de energiebesparingclaims vaak niet gehaald. Blijkbaar zijn de verwachtingen heel anders dan de praktijk. De boodschap van dit blog is dan ook: meer aandacht voor de gebruiksfase. Dat kan door te leren van het verleden en projecten vaker, voor langere tijd, te evalueren. De AgentschapNL evaluatie uit april 2010 ‘Schatgraven in de bestaande bouw’ van 32 energiezuinige projecten [1], is in dat kader ontluisterend. Iedereen met energie- & bouwambities adviseer ik dit rapport te lezen.

Kloof tussen bouwen en gebruiken

In een eerder TNO rapport las ik: ‘De energiedoelstellingen zijn niet gehaald doordat de bewoners zich niet gedroegen zoals verwacht’. En even verderop: ‘Helaas moesten er ook nog bewoners in de woning’. Dit geeft een beeld van de enorme kloof tussen wat we bouwen en hoe we iets gebruiken. Het toont ook de arrogantie en minachting van bouwpartijen voor eindgebruikers, alle aandacht voor consumentgericht bouwen ten spijt. Kern van het probleem is de focus op het bouwproces. Negen maanden bouwen is ondergeschikt aan 75 jaar gebruik, maar eist nu wel alle aandacht op.

Als industrieel ontwerper weet ik dat een gebruikersonderzoek essentieel is voor productontwikkeling. Je ziet hoe gebruikers (intuïtief) met producten omgaan. Want al zouden we een gebruiksaanwijzing bij een woning leveren, dan nog ligt die vaak ongebruikt in de meterkast. Gebruiksonderzoek is de meest leerzame fase van een productontwikkelingstraject. Bijzonder dat dit in de bouw nauwelijks wordt toegepast.

Onderzoek doen

Als je het dan niet vooraf onderzoekt is het misschien een goed alternatief om nadat je iets hebt gebouwd te onderzoeken hoe het bevalt, hoe het wordt gebruikt en of de ambities in praktijk worden gehaald. VELUX heeft samen met enkele vaste partners, in Europa, 6 Active Houses gerealiseerd. Eindelijk een ambitieus (duurzame woningbouwproject) met aandacht voor de gebruiksfase. De opgedane ervaringen is open source, de sector hoeft er enkel kennis van te nemen en te vertalen naar de eigen bouwpraktijk. Alle active houses worden een aantal jaren bewoond en gemonitord door wisselende gebruikers (elk jaar een bewonerswissel). Hoe gedraagt de gebruiker zich en wat is het resultaat op het gebruik van energie, warmte, water, e.d. De eerste resultaten van de gemonitorde Active House woningen ondersteunen mijn visie. We hebben veel meer kennis nodig over menselijk gedrag om onze klimaatdoelstellingen te realiseren.

WoonTomTom©

Als bewoners hun woning blijkbaar niet goed en niet energiezuinig kunnen gebruiken is de woonTomTom© misschien de oplossing. Alle bewoners worden standaard uitgerust met een slimme woninggebruiksplanner. Een vriendelijke damesstem geeft de bewoner aan het raam dicht te doen, de gordijnen te sluiten, de thermostaat 3 graden lager in te stellen en nu toch eindelijk maar eens naar bed te gaan. Aan het eind van het jaar geen energiekosten en volop ‘gestuurd’ woongenot. Technologisch gezien geen enkel probleem en waarschijnlijk helpt het TomTom van haar dalende beurskoers af. De vraag is of dit de oplossing is om energieneutrale woningen te realiseren. Zitten gebruikers hier op te wachten? De maakbaarheid van onze maatschappij is volgens mij sowieso aan (en voor velen reeds over) de grens van acceptatie. Oftewel; een oplossing in de lijn van ik zal die domme bewoner wel even helpen i.p.v. aan te sturen op een goed woonhuwelijk.

Woonrelatietherapeut

In dat kader wil ik ook nog even aandacht vragen voor een ander onderbelicht aspect van energieneutraal bouwen. Alle gebruikersgerelateerde energie die nu nog niet in de EPC  berekeningen wordt meegenomen. In mijn en ook volgens AgentschapNL definitie van energieneutraal [2] moet alle energie voor de bouw en sloop, de bouwmaterialen en voor het gebruik van de woning op locatie worden opgewekt. Oftewel heel veel energieverbruik die nu NIET in de EPC wordt berekend. Door alle aandacht op het verlagen van het gebouwgebonden energieverbruik (verwarmen, ventileren, koelen, e.d.) middels die EPC wordt de component gebruikersgebonden energie procentueel steeds groter. Om die te verlagen is een innige relatie met en begrip van de gebruiker cruciaal. Ik meld me bij deze aan als ‘woonrelatietherapeut’ om het huwelijk tussen woning en gebruiker te redden.

Alle opdrachtgevers die nu plannen maken voor duurzame en/of energieneutrale gebouwen raad ik het volgende aan; neem een gebruikerstevredenheideis (comfort en gezondheidsprestaties) op in uw ambitie. Op die manier krijgt de duurzame woonrelatie een eerlijke kans. Bedenk daarbij ‘een thermosfles is een prachtig product’ ik wil er alleen niet in wonen.

[1] Schatgraven in de bestaande bouw, April 2010

BouwhulpGroep architecten en adviseurs. In opdracht van NL Energie en Klimaat, divisie van AgentschapNL

[2] Stevige ambities, Klare taal. PeGo 2009

Een project is energieneutraal als er op jaarbasis geen netto import van fossiele of nucleaire brandstof van buiten de systeemgrens nodig is om het gebouw op te richten, te gebruiken en af te breken. Dit betekent dat het energiegebruik binnen de projectgrens gelijk is aan de hoeveelheid duurzame energie die binnen de projectgrens wordt opgewekt of die op basis van externe maatregelen aan het project mag worden toegerekend. Het energieverbruik dat voortkomt uit de oprichting en sloop van het gebouw zullen naar een jaarlijkse bijdrage worden verrekend op basis van de verwachte levensduur van het gebouw.

Advertenties

Behalen van goede daglichtfactor in scholen blijkt grote uitdaging in praktijk!

244784Het Programma van Eisen Frisse Scholen is 7 jaar geleden door AgentschapNL (toen nog SenterNovem) in het leven geroepen als richtlijn voor het realiseren van een energiezuinige en gezonde school. Het programma is opgebouwd uit een vijftal onderwerpen welke uitgewerkt zijn in prestatiegerichte eisen onderverdeeld in een niveau C (iets ambitieuzer dan bouwbesluit), niveau B en niveau A als hoogst haalbare. Begin dit jaar is er een herziening geweest van het Programma van Eisen Frisse Scholen, waarbij de eisen vooral op haalbaarheid in de praktijk zijn getoetst. SLD/ Aldus is gevraagd om het onderwerp Visueel comfort te beoordelen en eventuele aanpassingen te adviseren.

Voor een controle van uw ontwerp en optimalisatie-advies mbt de eisen van Visueel Comfort, klik hier: Aanbod ontwerptoets Visueel Comfort!

Het aspect daglichttoetreding wordt voor een groepsruimte omschreven in de zogenaamde daglichtfactor. De daglichtfactor is de verhouding (in %) tussen de hoeveelheid daglicht buiten en op een bepaald punt binnen.

De oude versie van Frisse scholen klasse C ging uit van een daglichtfactor van 3%, klasse B van 5% en klasse A van 8% gemeten in het midden van de ruimte. In de praktijk bleek het behalen van klasse A niveau van 8% bijzonder lastig. Wij hebben onderzocht wat een realistische prestatie-eis is op basis van een aantal recent gerealiseerde scholen waarbij een Frisse scholen ambitie werd gehanteerd. De daglichtfactor voor die scholen is berekend op basis van het gerealiseerde ontwerp. Onze conclusie was dat frisse scholen A nergens wordt gehaald, zelfs bij scholen met een bijna volledige glazen gevel. De gestelde eisen voor niveau A waren in dit geval dus te ambitieus.

Op advies van SLD/ Aldus zijn de eisen aangepast door de daglichtfactor gemiddeld over de ruimte te meten, en is de klasse A eis van 8% naar 7% bijgesteld. Hierdoor blijft de eis voldoende ambitieus, maar wel haalbaar. Met deze nieuwe eis is er 1 school uit ons onderzoek waar de groepsruimten aan de niveau A eis voldoen. Het betreft de MFA ‘De Kreek’ uit Hoorn (ontwerp Rudy Uytenhaak). De groepsruimten op de eerste verdieping zijn naast de daglichtopeningen in de gevel voorzien van een bovenlicht op de noordzijde, waardoor er daglicht dieper in de ruimte valt. Hiermee wordt de gemiddelde waarde van 7% behaald. Bij de groepsruimten op de begane grond waarbij geen sprake is van bovenlicht wordt een waarde van ruim 5% behaald.

Door uit te gaan van een gemiddelde waarde valt op dat er bij de gevelopeningen een hoge daglichtfactor wordt behaald (10% of hoger) terwijl bij de verkeersruimte krap 2% wordt behaald. Om een gelijkmatig daglichtniveau te ontwerpen is dus altijd daglicht van minimaal 2 zijden nodig, en bij voorkeur als tweede zijde de wand evenwijdig aan de gevel, door transparantie in de gangwanden aan te brengen of te werken met daklichten. Dit zorgt voor een prettiger daglichtverdeling zonder al te grote contrasten en maakt het onnodig toepassen van kunstlicht overbodig.

In alle gevallen verdient het gebruik van digitale schoolborden (smartboards) extra aandacht voor de daglichtverdeling en mogelijkheden van een effectieve en goed regelbare zon- en lichtwering.

Download hier Frisse Scholen Programma van Eisen – april’12-3.

Geef hieronder uw commentaar en ervaringen bij de realisatie van de eisen uit het Programma van eisen Frisse Scholen.

Lessen van een klimaatneutrale én frisse school, deel 2

In deel 1 van lessen van een klimaatneutrale én frisse school gaven we 6 uitdagingen waar we in het ontwerp van brede school Houthaven tegenaan zijn gelopen. In deel 2 geven we nog een zestal prijs.  Tenslotte vergelijken we het ontwerp met de duurzame scholen uit het UKP NESK programma om  het bereikte resultaat te kunnen vergelijken. Hiernaast wordt de GPR score van het Definitieve Ontwerp weergegeven. (de milieuscore is relatief laag vanwege de negatieve impact van veel PhotoVoltaische panelen)

7. Warmteterugwinning in relatie tot luchtvochtigheid:  Frisse scholen klasse A stelt een WTW rendement van 90%. DIt blijkt in de praktijk tot hele dure en grote luchtbehandelingskasten te leiden die uitgevoerd zijn met een plaatwisselaar. Het nadeel hiervan is dat de luchtvochtigheid in het gebouw (te) laag wordt en er een extra bevochtiger in de installatie opgenomen moet worden. Deze kost weer energie en dus PV compensatie. Om redenen van energie, kosten, ruimtegebrek en comfort is daarom gekozen voor een warmtewiel met een rendement van 85%. Les: energetisch en prijstechnisch bekeken is een (goed) warmtewiel voor een klimaatneutrale en frisse school een verstandige en acceptabele keuze.

8. Uitvoering PV panelen; de beperkte dakruimte op de school voor opwekking van het totale gebouwgebonden energieverbruik verplichtte het ontwerpteam om tot een PV installatie met hoogst mogelijke opbrengst te komen. Les: Uit ons onderzoek blijkt dat een symmetrische Oost-West opstelling onder 10 graden, hier meer geïnstalleerd vermogen oplevert dan Zuid georiënteerde panelen op 35 graden. Daarnaast is het van belang om de panelen zo laat mogelijk in te kopen, zodat het project optimaal kan profiteren van de steeds beter presterende PV panelen.

9. Invloed gebruiker: Frisse scholen schrijft een zekere invloed van de gebruiker voor op haar binnenklimaat. Vanuit comfort en beleving vinden wij maximale invloed van groot belang. Vanuit energetisch oogpunt blijkt deze individuele invloed niet heel bevorderlijk. Les: een installatie dient te reageren op iedere individuele aanpassing en volledig afgestemd te zijn op elkaar.

10. Compensatie van primaire energie; Om aan de definitie van klimaatneutraal (A’dam) te voldoen, moet het gebouwgebonden energieverbuik worden gecompenseerd op de locatie. Dit betekent dat het energieverbruik moet worden omgezet in primaire energie, waarbij je rekening dient te houden met het opwekkingsrendement van de aangeleverde energie (stadswarmte). De consequentie hiervan is dat het gebouw de CO2 dient te compenseren van de aangeleverde energie, terwijl het geen invloed heeft op het opwekkingsrendement. Desalniettemin bleek stadswarmte de meest gunstige keuze, wat door bovenstaande moeilijk te beargumenteren was aan de stakeholders van het project. Het lijkt namelijk logischer om alleen het verbruik te compenseren waar het gebouw daadwerkelijk invloed op heeft, maar dat is niet conform de definitie “klimaatneutraal” van de gemeente Amsterdam. Les: heldere communicatie van definities en consequenties, bij voorkeur aan de hand van illustraties is noodzakelijk vanaf start project.

11. Alle aandacht voor de twee hoofdambities leidt af van andere belangrijke waarden zoals groenvoorzieningen en educatieve mogelijkheden van duurzaamheid. Hoewel we deze aspecten goed geborgd hebben in het programma van eisen dreigen ze continu onder te sneeuwen. Les: blijf duurzame waarden die van belang zijn voor de gebruikers continu onder de aandacht brengen.

12. Toetsing van prestaties: het ontwerp is op het scherpst van de snede gemaakt om de moeilijke balans tussen gezondheid en energiezuinigheid te kunnen realiseren. Of het gebouw (en installaties) ook aan de vereiste prestaties zal voldoen, hangt volledig af van de uitvoering en het gebruik. Les: het uitvoeringsteam zal zich continu op de prestaties moeten richten en deze in de praktijk moeten toetsen aan de voorschriften. In het ontwerp moet daarom rekening gehouden worden met het meetbaar maken van prestaties. Manieren voor het vastleggen van prestatie-afspraken worden momenteel serieus overwogen.

De genoemde uitdagingen hebben tot een interessant proces geleid, met een prachtig en afgewogen resultaat. Het blijkt nodig om op sommige aspecten concessies te doen, die wat ons betreft nooit aan de basale gezondheidsvoorwaarden mogen tornen. Dat is in dit bijzondere ontwerp gelukt, dankzij de volharding van ontwerpteam en uitgesproken motivatie van de gemeente. Brede school Houthaven behoort daarmee bij oplevering tot de duurzaamste scholen van het land. In het tabel in deze link wordt een vergelijking gemaakt tussen 8 duurzame scholen uit het UKP NESK programma van AgentschapNL, waaraan we brede school Houthaven hebben toegevoegd. Hieruit wordt duidelijk dat de school (zonder subsidie) deze lijst aanvoert, en een stap zet naar verdere verduurzaming van onderwijshuisvesting.

(voor een verwijzing naar het volledige artikel over de UKP NESK scholen in de initiatieffase van AgentschapNL klik hier)

Maar we zijn er nog niet! De school moet nog aanbesteed en gebouwd worden. Pas in het gebruik zal zij zich kunnen bewijzen…
Graag vernemen we weer uw ervaringen en lessen bij het ontwerp en realisatie van duurzame scholen (nieuwbouw of renovatie) waarbij u betrokken bent (geweest).

Projectpartners:
brede school Houthaven  (BVO 6569m2)
opdrachtgever: Gemeente Amsterdam Stadsdeel West
schoolbesturen: AWBR en Amos
architect: Architectenbureau Marlies Rohmer Amsterdam
constructeur: Strackee Amsterdam
installatie-adviseur: Schreuder Alkmaar
bouwfysisch adviseur: Nelissen Eindhoven
duurzaamheidsadviseur: Aldus bouwinnovatie Amsterdam